woensdag 29 juli · Onderdeel van Gemeenten & parkeerbeleid
Parkeerdruk in de gemeente: waarom extra plekken de druk zelden wegnemen
Elke gemeente kent de brief. Bewoners van een straat, een wijk of een heel stadsdeel melden dat parkeren onhoudbaar is geworden, met het verzoek om plekken bij te bouwen. De ambtelijke reactie is meestal een parkeerdrukmeting, en daarna een lastig gesprek.
Want bijbouwen is duur, traag en vaak ook contraproductief. Dat maakt het gesprek ongemakkelijk, maar niet uitzichtloos: juist gemeenten hebben instrumenten die een VvE of ontwikkelaar niet heeft.
Parkeerdruk is een verdelingsvraagstuk
Een parkeerdrukmeting die uitkomt op 92 procent klinkt als een tekort van 8 procent. In de praktijk betekent het iets anders: op het gemeten moment stond bijna alles vol. Meet je op dinsdagochtend, dan zie je een heel ander beeld dan op zondagavond.
Dat verschil is geen meetfout, het is de kern van het probleem. Parkeerruimte in een woonwijk wordt vrijwel volledig gebruikt op een paar avonden en in het weekend, en staat de rest van de week voor een substantieel deel leeg. Tegelijk staan honderd meter verderop vaak private terreinen (van een kantoor, een school, een supermarkt, een appartementencomplex) die precies het omgekeerde ritme hebben.
Wie alleen naar het piekmoment kijkt, ziet een tekort en bouwt bij. Wie naar de hele week kijkt, ziet twee voorraden die elkaar zouden kunnen aanvullen. Dat tweede perspectief is aanzienlijk goedkoper, maar vraagt afspraken in plaats van asfalt.
Daar komt bij dat een maatregel in één straat zich zelden tot die straat beperkt. Wordt er betaald parkeren ingevoerd of een vergunningsgebied uitgebreid, dan verschuift een deel van de druk naar de eerste straat zonder regime. De bewoners daar schrijven vervolgens dezelfde brief. Dat waterbedeffect is de reden dat beleid per straat bijna altijd duurder uitpakt dan beleid per gebied: elke losse ingreep creëert een nieuwe grens waar het probleem zich opnieuw verzamelt.
Wat een parkeerplaats werkelijk kost
De kosten van een plek verschillen enorm per vorm. Een vak langs de straat is relatief goedkoop, maar kost ruimte die daarmee definitief vastligt. Een plek in een parkeergarage of onder een gebouw loopt al snel in de tienduizenden euro's per plek, exclusief onderhoud, beheer en de jaarlijkse exploitatie.
Die kosten zijn zelden zichtbaar voor de bewoner die erom vraagt, en dat maakt het gesprek scheef. Een parkeerplaats voelt als iets wat er gewoon hoort te zijn, en niet als een investering die concurreert met groen, fietsparkeren, speelruimte of woningen.
Daar komt het effect bij dat verkeerskundigen al decennia meten: extra parkeerruimte op een plek met hoge druk trekt op termijn extra autobezit aan. Niet onmiddellijk en niet overal, maar consistent genoeg om er rekening mee te houden. Een deel van de nieuwe plekken is binnen enkele jaren weer bezet, en de oorspronkelijke klacht komt terug, nu met een duurdere openbare ruimte eronder.
Waar voor gemeenten wél winst zit
Het instrument dat het snelst rendeert is inzicht. Niet één meting op één moment, maar het gebruikspatroon over een week: waar zit de piek, hoe lang duurt die, en wat staat er in die uren juist leeg op particulier terrein. Dat beeld is er in de meeste gemeenten simpelweg niet, waardoor beleid op piekmomenten wordt gemaakt.
Het tweede instrument is dubbelgebruik mogelijk maken. Een kantoorterrein dat 's avonds leegstaat en een woonstraat die 's avonds vol staat, liggen vaak binnen loopafstand van elkaar. De belemmering is zelden fysiek; het zijn aansprakelijkheid, toegang en de vraag wie het regelt. Een gemeente die daar een standaardafspraak voor heeft liggen, opent capaciteit zonder een steen te verleggen.
Wat dat oplevert, laat zich becijferen. In één complex met 196 plekken kwam inmiddels 8.000+ uur parkeertijd beschikbaar die daarvoor achter een slagboom stond: omgerekend ruim 300 etmalen, zonder dat er een plek bij is gebouwd.
Het derde is meesturen bij nieuwbouw. Bij elk nieuw project ligt de parkeernorm op tafel, en daarmee de vraag of de gerealiseerde plekken privaat en exclusief zijn, of deelbaar binnen het complex. Dat is een keuze die achteraf vrijwel niet meer te maken is: een garage die als exclusieve plekken is verkocht, krijg je niet meer gedeeld.
Als laatste: reken de VvE's en beheerders in de wijk mee als partij. In veel gemeenten zit een aanzienlijk deel van de totale parkeercapaciteit achter een slagboom, in handen van verenigingen die zelf klagen over druk. Dat is geen concurrerende voorraad, dat is dezelfde voorraad met een ander hek eromheen. Een gemeente die die partijen aan tafel krijgt, heeft in de praktijk meer speelruimte dan een gemeente die alleen naar het eigen areaal kijkt.
Tot slot loont het om de klacht en de behoefte uit elkaar te halen. Wie vraagt om een parkeerplaats voor de deur, vraagt meestal om iets anders: zekerheid dat er bij thuiskomst íets binnen loopafstand vrij is. Dat is een aanzienlijk makkelijker te beantwoorden vraag, en er zijn meer manieren om hem te beantwoorden dan bijbouwen.
Benieuwd wat dit voor jouw VvE of complex kan betekenen?
Neem contact op